Het werkelijk energiegebruik wordt de norm!

ir. D.M. (Thijs) van Brakel | 15-10-2014

De wetgeving ten aanzien van energiezuinigheid van gebouwen gaat in 2015 op veel punten wijzigen. De aanzienlijk strengere eisen voor de energieprestatie en de nieuwe labelmethodiek springen het meest in het oog. De wijzigingen volgen uit het Lenteakkoord energiezuinige nieuwbouw, dat in 2008 is gesloten. Het Lenteakkoord is een belangrijke Nederlandse stap om te voldoen aan de doelstellingen van de herziene Europese richtlijn Energieprestatie van gebouwen (EPBD).

Doel van deze wijzigingen is het reduceren van het energiegebruik van de gebouwde omgeving. In bijvoorbeeld 2008 gebruikten alle Nederlandse gebouwen alleen al 498 PJ aan aardgas, ofwel een volume van 1,4 miljoen zwembaden. Het besparingspotentieel is dus enorm, maar hoeveel gaan de wetswijzigingen bijdragen?

 

Wijzigingen Bouwbesluit

Met de publicatie in het Staatsblad op 26 september, staan de wijzigingen vanaf 1 januari 2015 officieel vast. De meest opvallende maatregel is de aanscherping van de energieprestatie voor vrijwel alle gebruiksfuncties. Zoals al langer bekend was, gaat de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) voor woningen van 0,60 naar 0,40. Dit heeft met name impact op de bouw van nieuwe appartementencomplexen, woonzorgcomplexen en studentenhuisvesting.
 
Voor utiliteitsbouw is de daling extremer, ten opzichte van 2007 wordt het toelaatbare energiegebruik gehalveerd. De impact is het grootste voor hotels, winkels, ziekenhuizen en scholen. De aanscherping verhoogt de noodzaak tot het opstellen van een efficiënt gebouw- en installatieconcept. Efficiënte maatregelen hangen nauw samen met het type gebouw en het gebruik ervan. DPA Cauberg-Huygen kan met een QuickScan inzichtelijk maken welke extra maatregelen nodig zijn voor een indiening die voldoet aan de nieuwe eisen. 

Voor projecten waarbij een hoge duurzaamheidsambitie wordt gekoppeld aan BREEAM heeft dit extra gevolgen. Recent zijn de energie-eisen in BREEAM ten opzichte van het Bouwbesluit namelijk ook verlaagd. Dit geldt voor gebouwen die nog niet zijn geregistreerd bij de Dutch Green Building Council (DGBC). De aanscherping heeft met name gevolgen voor projecten met de ambitie Excellent en projecten waarvoor milieu-investeringsaftrek (MIA) wordt aangevraagd.
 

Gedifferentieerde isolatiewaarde

Een andere wijziging in het Bouwbesluit is de differentiatie van de isolatiewaarde van de gebouwschil, de Rc-waarde. Het Bouwbesluit vereist nu een minimale Rc-waarde van 3,5 m2K/W. Deze waarde blijft voor vloeren gelijk, maar gaat omhoog voor gevels (Rc ≥ 4,5 m2K/W) en daken (Rc ≥ 6,0 m2K/W). Met de hedendaagse hoogwaardige isolatie is een Rc-waarde van 6 m2K/W al haalbaar met een isolatiedikte vanaf 130 mm, in veel projecten zijn deze Rc-waarden nu al gangbaar. In combinatie met een goede kierdichting, goed isolerende kozijnen en hoogwaardig beglazing dragen de hogere Rc-waarden bij aan het beperken van het energiegebruik.
 

Een energielabel voor alle woningen 

Voor nieuwbouwwoningen dient vanaf januari verplicht een definitief energielabel te worden aangevraagd. Ontwikkelaars, bouwbedrijven, verhuurders en woningbezitters kunnen het definitieve energielabel aanvragen via een internetapplicatie, die momenteel door het Rijk wordt ontwikkeld. De invoer wordt door een expert gecontroleerd, waardoor er geen oplevertoets nodig is. Het energielabel dient te worden overhandigd aan de gebouweigenaar, die juridisch eigenaar wordt van het energielabel.

Vanaf 1 januari 2015 krijgen alle woningeigenaren van bestaande woningen die nog geen energielabel hebben een voorlopig energielabel. Dit label is gebaseerd op bouwjaar en woningtype. Bewoners kunnen dit voorlopige energielabel vrijwillig definitief laten maken. Vanaf 1 januari 2015 is het definitief maken verplicht bij verkoop of verhuur. Het definitieve energielabel wordt volgens een nieuwe vereenvoudigde methodiek bepaald. Met deze vereenvoudigde methode kan maximaal een A label behaald worden. De methodiek is goedgekeurd door de Tweede Kamer en ligt nu ter goedkeuring bij de Europese Commissie. Daarnaast blijft ook een uitgebreide labelmethodiek (op basis van de 'Energie Index' EI) bestaan, maar deze wijzigt sterk.  
 

Wijziging EPA-W met Nader Voorschrift

Vanaf 1 januari wijzigt de rekenmethode voor energielabel, de EPA-W sterk, doordat de NEN7120 bestaande bouw wordt geïntegreerd met de ISSO 82. Hierdoor worden maatregelen anders gewaardeerd en kunnen huidige labels én labels na renovatiemaatregelen afwijken t.o.v. de huidige methode. Uit recent advieswerk van DPA Cauberg-Huygen blijkt dat de energielabels slechter kunnen uitpakken. Daardoor is het lastiger aan subsidievoorwaarden (bv. STEP-subsidie) of financieringsvoorwaarden te voldoen. Ook heeft een lager label direct effect op de huurinkomsten door de koppeling aan het WWS-punten systeem. 
 

Energielabel voor utiliteitsbouw

Ook voor nieuwe utiliteitsgebouwen is het verplicht een energielabel te laten maken. Dit wordt afgegeven op basis van een energieprestatieberekening (EPC) in combinatie met een verplicht as-built opleveringcertificaat. Ook bij verkoop en verhuur is een energielabel verplicht. Voor casco gebouwen, zoals winkels en winkelcomplexen, is een pre-use label geïntroduceerd. Zo kan de belegger of projectontwikkelaar het casco laten labelen.
 
De afbouw is een zaak van de gebruiker, hiervoor is het in-use label ontwikkeld. Wettelijk gezien kan worden volstaan met het pre-use label, dat gebruikmaakt van gestandaardiseerde aannames van de afbouw. Indien gewenst kunnen de gebruikers een in-use label laten opstellen, om ook energiebesparende afbouwmaatregelen te waarderen in het label. 
 

Theoretisch versus werkelijk energiegebruik

Doel van de energielabels is het inzichtelijk maken van het energiegebruik van een gebouw. Het energielabel zou de marktwaarde van energiezuinige gebouwen moeten verhogen. In de praktijk valt het effect hiervan vooralsnog tegen. Vooral bij koopwoningen speelt het label bij de aankoop een marginale rol. Door onder meer de koppeling met het huurpuntenstelstel worden de energielabels wel gebruikt door woningbouwcorporaties. Veel gehoorde klacht van hen is echter dat de energielabels nauwelijks een relatie hebben met het werkelijke energiegebruik.

De energieprestatie-eisen zijn een meer dwingend instrument om te komen tot meer energiezuinige gebouwen. Een lagere EPC betekent echter niet dat de energiekosten voor de gebruiker echt dalen. Zo zijn de EPC-eisen voor woningen de laatste twee decennia aanzienlijk strenger geworden. Toch neemt het werkelijke energiegebruik van woningen helemaal niet af.
 
Dit is te verklaren door een aantal zaken. Ten eerste stelt de regelgeving alleen eisen aan het gebouwgebonden gebruik. Het energiegebruik van huishoudelijke apparatuur wordt niet meegenomen, deze post echter wordt steeds belangrijker omdat we steeds meer apparatuur gebruiken. Bij utiliteitsgebouwen speelt dit aspect ook, denk hierbij bijvoorbeeld aan kantoorapparatuur, energiegebruik van liften, reproruimten, pantry’s en grootkeukens.
 
Ten tweede is de invloed van de gebruiker op het energiegebruik cruciaal. De EPC en EPA methodiek gaan uit van een gestandaardiseerd gebruik. Zaken als gezinssamenstelling, aanwezigheid, thermostaatinstelling, douchegedrag en het gebruikspatroon van apparaten bepalen het uiteindelijke rendement.
Derde en laatste reden voor de afwijkingen tussen het theoretische gebruik (EPC) en werkelijkheid is het feit dat de (vaak gecertificeerde) rendementen van installaties, isolatiewaarden en luchtdichtheid in de EPC-berekening vaak te positief worden gewaardeerd.
 

Optimale benutting potentieel

Uit het voorgaande blijkt dat voor het realiseren van werkelijke besparing gekeken moet worden naar zowel  gebouwgebonden als het gebruiksgebonden energiegebruik en dat het gebruik van een gebouw van grote invloed is. Bij renovatie is het dus belangrijk om breder te kijken dan alleen EPC of energielabel. Ook zonder ingrijpende maatregelen kan echter veel energie worden bespaard door het aanpassen van het gebruikspatroon.

Om hierop in te spelen heeft DPA Cauberg-Huygen voor woningen de tool Ezie ontwikkeld. Ezie maakt voor bestaande woningen en nieuwbouw het werkelijke inzichtelijk. Ezie laat de gebruiker zien wat het effect is van bouwkundige en installatietechnische verbeteringen aan de woning, voor zijn specifieke situatie. Zo kunnen de kosten en opbrengsten van duurzaam renoveren eenvoudig inzichtelijk worden gemaakt. Ezie geeft ook tips op maat voor besparing door het veranderen van het gebruikspatroon. Door bewuster met de woning om te gaan, kunnen bewoners vaak veel geld besparen, zonder dat dit ten koste gaat van het comfort. Ezie is gratis toegankelijk voor consumenten via www.ezie.com en op maat in te richten voor professionele partijen.

Daarnaast maakt DPA Cauberg-Huygen ook voor utiliteitsbouw de werkelijke energielasten inzichtelijk en zet deze af tegen de extra investeringen om het gebouw energiezuiniger te maken. DPA Cauberg-Huygen adviseert ook ten aanzien van strategisch gebouwbeheer en onderhoud. Door uit te gaan van het verwachte gebruik en de werkelijke rendementen kan DPA Cauberg-Huygen gebouw en installaties optimaliseren, zodat het werkelijke energiegebruik zo laag mogelijk is.

DISQUS

Geschreven door: ir. D.M. (Thijs) van Brakel

Thijs van Brakel is projectleider bouwfysica en duurzaamheid bij DPA Cauberg-Huygen en specialist energie en comfort.

Blijf op de hoogte

en schrijf in op onze nieuwsbrief

Velden aangegeven met een * zijn verplicht

De pagina wordt geladen...